The library is a growing organism

It is an accepted biological fact that a growing organism alone will survive. An organism which ceases to grow will petrify and perish. The Fifth Law invites our attention to the fact that the library, as an institution, has all the attributes of a growing organism. A growing organism takes in new matter, casts off old matter, changes in size and takes new shapes and forms.

Als je in de zomermaanden aan het werk bent, heb je wat meer tijd om eens wat te lezen. Ik las dit rapport http://oclc.org/research/publications/library/2014/oclcresearch-reordering-ranganathan-2014-overview.html (dank voor de tip Dorinne!).

Uitgangspunt zijn de 5 wetten van Ranganathan uit 1931 (Five Laws of Library Science), die in dit rapport onderzocht en hertaald naar de situatie in 2014 worden.
Ranganathan
“Save the time of the reader” wordt “Embed library systems and services into users’ existing workflows”
“Every person his or her book” wordt “Know your community and its needs”
“Books are for use” wordt “Develop the physical and technical infrastructure needed to deliver physical and digital materials”
“Every book its reader” wordt “Increase the discoverability, access and use of resources within users’ existing workflows”
De vijfde wet is en blijft “A library is a growing organism”

Het rapport is vlot geschreven, dus schrik niet van de omvang, je bent er zo doorheen. Mij vielen een paar dingen op. Ten eerste de sterke mate waarin dit aansluit bij Zoeken en Vinden. Ten tweede het feit dat onze medewerkers meer dan ooit onze ‘unique selling point’ zijn. Ten derde het feit dat ik geen feilloos inzicht meer heb in studenten (Amerikaanse studenten gebruiken Amazon als discovery tool? Really?). Kortom: ik voel me bevestigd als projectleider Z&V, gewaardeerd als medewerker en… een tikkeltje oud.

Geplaatst in I&M2.0 | Een reactie plaatsen

Stand van zaken invoering Pure juli 2014

Vanaf begin dit jaar is de Universiteit Utrecht bezig met de invoering van Pure, het Current Research Informatie Systeem (CRIS) van Elsevier, dat de UU gekozen heeft als opvolger van Metis. Pure wordt ingevoerd op de hele universiteit, maar er komen 2 databases: één Pure database voor het UMCU en één voor de UU. Er is sprake van 2 gescheiden implementatietrajecten, maar natuurlijk wordt er zoveel mogelijk samen opgetrokken. Bij de UU is de koppeling met het SAP systeem nu gerealiseerd (d.w.z. dat personen en aanstellingen nu in Pure zitten) en is men een heel eind gevorderd met de migratie van de publicaties van Metis naar Pure. De invoering bij het UMCU loopt iets achter op dat van de UU. Invoering bij de UU staat gepland voor dit najaar, dan zullen de faculteiten voor het eerst breed met Pure geconfronteerd worden.
Rol van de Universiteitsbibliotheek in Pure
Even recapituleren: wat doen we als UB ook al weer met een CRIS? Metis was het toevoerkanaal voor het Igitur Archief (nu: Utrecht University Repository): Utrechtse publicaties, voor zover er een fulltext aan toegevoegd was, kwamen via Metis naar DSpace en werden, indien dit auteursrechtelijk toegestaan was (DV controleerde daarop) zichtbaar in het Igitur Archief. Op deze manier hoefden wetenschappers slechts één keer metadata in te voeren voor registratie en archivering van hun publicaties in plaats van twee keer. Voor een aantal faculteiten of departementen verzorgde de UB tegen betaling de invoer in Metis. De UB zorgde vervolgens dat de Utrechtse publicaties ook elders zichtbaar werden, bijvoorbeeld in NARCIS, de nationale portal.
Pure is een completer en gebruiksvriendelijker CRIS dan Metis.
– Completer omdat Pure behalve de functie van registratie van de Utrechtse wetenschappelijke productie, ook bijv. een uitgebreide portalfunctionaliteit kent. Pure zou bijv. de rol van de Profielpagina’s of van de repository kunnen overnemen. Overigens zit dit niet in de scope van het huidige implementatietraject!
– Gebruiksvriendelijker omdat bijv. publicaties niet van scratch af aan ingevoerd hoeven te worden in Pure. Pure “harvest” initieel grote databases als Scopus of Pubmed en biedt onderzoekers die informatie aan. Onderzoekers hoeven dan alleen hun publicaties nog maar te claimen (=aan te merken dat die publicaties (mede) door hen geschreven zijn).

Deze kenmerken maken dat de invoering van Pure meer consequenties voor de UBU heeft dan simpelweg de interface met Metis vervangen voor die met Pure. Dat was begin af aan duidelijk, dus heeft de UB vooraf in maart de beleidsuitgangspunten t.a.v. repository en CRIS vastgesteld. Dit document dient als leidraad voor de rol van de UBU in Pure. Beleidsuitgangspunten repository en CRIS _MO

Wat is er tot nu toe gebeurd?
• In april is het werkpakket Interface Pure-DSpace (de DSpace connector) gestart. Hierin heeft vooral Marina Muilwijk een belangrijke rol, maar ook DV heeft een bijdrage geleverd door een mapping te maken tussen de metadatavelden in DSpace en die in Pure. Martin Slabbertje en ICT hebben gezorgd voor een DSpace testcollectie en een koppeling met de Pure testomgeving. Inmiddels, na wat strubbelingen, kan er nu getest worden. Daarvoor heeft Guido van Dongen voor DV een testprotocol opgesteld. De komende weken wordt in verschillende iteraties gekeken of inderdaad alle publicaties met alle gewenste velden netjes meekomen naar DSpace.
• Tegelijkertijd zijn met DV sessies gehouden over de toekomstige rol van m.n. DV in de Pure processen. In de beleidsuitgangspunten is nl. gesteld dat de UB op basis van haar expertise de eindverantwoordelijkheid heeft voor de kwaliteit van de bibliografische metadata en de metadata met betrekking tot Open Access in het CRIS. Wat heeft dit voor consequenties voor de rol van DV en ligt hier misschien een nieuwe uitdaging?
• Vanuit het project is de UB gevraagd mee te denken welke databases als bron zouden kunnen dienen voor Pure. Er zijn ca. 10 databases waarmee Pure een standaard koppeling heeft, daaronder vallen bijv. Scopus, Web of Science, Pubmed etc. Heleen van der Linden en Désiree ten Dam hebben uitgezocht of de UU licenties had op deze databases: of we ze überhaupt móchten aansluiten. Vervolgens is aan de vakspecialisten de vraag gesteld welke databases voor hun onderzoekers van belang waren (finetuning) en of er wellicht andere databases in hun discipline interessant zijn om aan te sluiten. Op deze vraag komen de antwoorden nu binnen.
• Ondertussen spelen allerlei kwesties rondom Open Access, het toekennen van embargo’s bijvoorbeeld. Tot nu toe werden deze zaken binnen DSpace geregeld, maar de tendens is nu dat binnen Pure te regelen en de betreffende informatie via de DSpace connector binnen te halen. Dat betekent een heel andere manier van werken, maar ook een risico. Komt alle informatie die wij nodig hebben juist en volledig mee en hoe borgen we dat zoveel mogelijk publicaties Open Access beschikbaar komen?
• Begin juli zijn we in het project begonnen met het bepalen van de workflow: wie doet (en mag) wat wanneer in Pure en hoe? En voor ons: wat wordt de rol van de UBU? Samen met DV hebben we gekeken in welke Pure processen de UBU een rol kan spelen. Zo is al bepaald dat de UBU administrator of journals wordt: de tijdschriftenlijst in Pure gaat bijhouden. De UBU krijgt verder een belangrijke rol bij de Invoer van publicaties: het controleren van de metadata en het bepalen of een publicaties in de repository zichtbaar mag worden of niet. Hoe dat precies in zijn werk gaat zal in de komende maanden in de praktijk uitgetest moeten worden.
• Op korte termijn gaan we dus testen, bijstellen, testen, weer bijstellen etc. En dat betekent veel werk, vooral voor het testteam bij DV.

Vanuit de projectleiding is de volgende projectplanning bekend gemaakt. 2014 06 25 Planning Pure op hoofdlijnen NB: dit betreft dus alleen de planning van de UU, niet van het UMCU!

NB: Momenteel wordt op diverse andere instellingen in Nederland Metis vervangen. Tilburg en Groningen hebben ondertussen Pure in gebruik genomen, ook de KNAW heeft voor Pure gekozen. Leiden gebruikt Converis (het pakket van Thomson Reuters). Ook Rotterdam gaat Converis gebruiken. Andere instellingen zijn nog in de fase van pakketselectie.

Meer informatie? Vraag het aan Saskia Franken . s.franken@uu.nl of Guido van Dongen g.vandongen@uu.nl

Geplaatst in I&M2.0 | 2 reacties

PhilPapers

Sinds kort sponsort de universiteitsbibliotheek Utrecht PhilPapers. Een dienst die zowel index agregator is als Open Access archief voor wijsbegeerte. Er zit twee keer zoveel materiaal in de index als de Philosophers index en het is de grootste collectie Open Access materiaal voor dit vakgebied. Een prachtige tool voor iedereen die zich ook maar een beetje bezig houdt met filosofie. Denk bijvoorbeeld aan wetenschapsfilosofie.
Je kunt je eigen profiel aanmaken, andere gebruikers volgen, attenderingen krijgen, bibliografietjes maken, leeslijsten, etc.

Het is zeer de moeite waard om eens een kijkje te nemen en als je het interessant vind laat je dan niet weerhouden om het aan anderen te vertellen.

Dat de universiteitsbibliotheek daar een abonnement op neemt is mooi. Per jaar betalen we een vast bedrag. We steunen op deze manier dit bestand en zo houden we het Open Access en dus beschikbaar voor iedereen. Boven in beeld op de website van PhilPapers zie je dan ook “Access sponsored by Utrecht University”.

Geplaatst in I&M2.0 | 1 reactie

Naar nieuwe normen voor informatievaardigheid

Sinds jaar en dag baseren veel instellingen of bibliotheken van die instellingen hun onderwijs op het gebied van informatievaardigheid impliciet of expliciet op de normen zoals in 2000 vastgelegd door de ACRL, of de Nederlandse vertaling en interpretatie daarvan vastgelegd in de LOOWI-normen uit 2009.

De wetenschappelijke informatievorziening en wetenschappleijke communicatie verandert echter snel:

  • Informatie is van schaarste naar overvloed gegaan (meer publicaties, meer soorten publicaties, meer soorten dragers/media, meer soorten informatie makkleijk beschikbaar, bv. code, data, beeld)
  • ‘Informatievaardig’ betekent tegenwoordig ook dat iemand digitaal, visueel en mediavaardig moet zijn
  • De student is niet alleen meer consument, maar ook aanbieder (en beheerder) van informatie
  • Spelers van buiten de universiteit spelen ook een rol (denk aan de facto ‘standaarden’ van Google, Dropbox of Figshare of aan door maatschappij afgedwongen extra aandacht voor publicatie-ethiek)
  • Toenemende invloed van ICT-mogelijkheden (denk aan snellere publicatie, Open Access publicatie, delen van data, identifiers, (alt)metrics, social media etc.)

Het is dan ook goed dat twee jaar geleden, na de duizenden publicaties over al deze veranderingen de ACRL besloten heeft tot een update. Wereldwijd wordt dat proces en vooral de uitkomst ervan gevolgd door informatiespecialisten (in Nederland bijvoorbeeld ook vrij nauwgezet door Anneke Dirkx op haar blog. Het nieuwe document zal hopelijk goede sturing geven aan het actualiseren van het curriculum op het terrein van informatievaardigheden.

Na enige drafts is nu sinds 17 juni de laatste revised ACRL draft Framework for Information Literacy for Higher Education beschikbaar voor commentaar, waarna het definitieve document in september zal uitkomen.

Bijzonder is dat het nieuwe document met normen niet meer een simpele lange lijst is van zaken die een student moet kunnen en weten maar er van uit gaat dat informatievaardigheid iets is dat moet groeien gedurende een hele opleiding en dat het zeker ook niet het exclusieve terrein of de exclusieve verantwoordelijkheid is van bibliotheken.

De nieuwe normen worden samengevat in 6 zogenaamde frameworks, waarbij het rapport vervolgens vaardigheden, leerhoudingen (dispositions) en lesvoorbeelden geeft. Die zes frameworks kunnen ook worden gezien als inzichten die op een bepaald moment de manier waarop een student tegen de zaken aankijkt blijvend veranderen. Dit is het idee van zogenaamde threshold concepts, dat overigens niet onomstreden is, blijkens een post van Lane Wilkinson.

De zes frameworks zijn:

  1. Scholarship is a Conversation: wetenschap is een gesprek over ideeën in bronnen waarbij inzicht ontstaat door botsende perspectieven en interpretaties.
  2. Research as Inquiry: onderzoek is iteratief; een antwoord leidt altijd naar een nieuwe vraag; inzicht komt door steeds diepergaande vragen te stellen en daarbij horende bronnen te vinden.
  3. Authority is Constructed and Contextual: het gezag van bronnen is gebaseerd op hun herkomst, maar kan ook verschillen naar gelang de context waarin deze gebruikt worden; hierbij is een kritische houding nodig en erkenning dat dat gezag altijd omstreden is en verandert in de loop der tijd.
  4. Format as a Process: het gaat niet zozeer om de verschijningsvorm van de informatie maar om hoe deze tot stand komt, met welk doel en hoe de verspreiding  plaatsvindt.
  5. Searching as Exploration: er is geen ‘one size fits all’, zoeken is iteratief en niet-liniair, vraagt een systematische benadering maar ook het toelaten van serendipiteit.
  6. Information has Value: waarde en gezag van informatie verschilt per bron en toepassing, en de waarde van informatie maakt dat je er op ethisch verantwoorde wijze mee om moet gaan.

Toen ik deze frameworks of concepten onlangs als experiment met toelichting voorlegde aan een groep eerstejaars studenten vonden zij ze niet vreemd. Het leek goed aan te sluiten bij hun beleving van het Wilde Westen van het informatielandschap waarin zij zich dagelijks staande moeten houden. Hooguit hadden zij verwacht dat in de wetenschap zaken wellicht overzichtelijker en hiërarchischer zouden zijn.

Anderzijds zijn de concepten redelijk vaag en betwistbaar. In hoeverre het definitieve rapport met deze frameworks een directe leidraad kan zijn bij het vormgeven van onderwijs op dit terrein valt nog te bezien. Inspirerend is het in elk geval wel. In de afdeling I&M van de UBU zijn de kernen Onderwijs en LibGuides hier naar aan het kijken en in ons project Partnership Informatievaardigheden bedenken we hoe deze veranderingen onze onderwijsrol beïnvloeden en op welke punten we samen met de opleidingen informatievaardighedenonderwijs verder kunnen verbeteren.

Geplaatst in I&M2.0 | Een reactie plaatsen

Verslag ELAG 2014

De European Libraries Automation Group houdt al 38 jaar lang elk jaar een congres. Dit jaar was het in Bath.

De dag voordat het congres begon waren er “bootcamps”. Ik ben naar de OCLC hackathon gegaan, waar we kennis konden maken met alle webservices die OCLC biedt. Helaas kun je op één dag niet al die services uitproberen, dus heb ik een interessante gekozen en ben ik aan de slag gegaan met de Worldcat Search API. Hiermee kun je op van alles en nog wat zoeken in Worldcat en de resultaten tonen in je eigen website of app. Je zou bijvoorbeeld iets kunnen maken waarbij je op basis van een willekeurig boek links aanbiedt als “meer over dit onderwerp”, “meer uit dit jaar” of wat je verder maar kunt verzinnen. Leerzaam en altijd leuk, een dagje ongestoord programmeren.

Woensdagochtend begon het congres met een keynote van Stella Wisdom van de British Library. Dit was vooral een showcase van alle mooie dingen die zij doen met hun bijzondere collecties. Een spectaculair voorbeeld is Londen voor de grote brand, de winnaar van een wedstrijd “doe iets moois met onze spullen”. Ze doen ook veel aan het bijscholen van hun eigen medewerkers, met cursussen over bijvoorbeeld digitalisering en “wat is een API”.

Daarna waren er natuurlijk presentaties: over linked open data, digitalisering en het mappen van data van het ene format naar het andere. Ook waren er een paar presentaties van bibliotheken die een eigen catalogiseersysteem gemaakt hebben, waarbij ze gebruik kunnen maken van linked open data. In plaats van een authority record in hun eigen catalogus, linken ze dan naar iets als VIAF voor auteursnamen. Dat heeft voordelen, maar ik zie ons nog niet Aleph vervangen door iets zelfgebouwds.

Voor het mappen van data heeft elke bibliotheek zijn eigen oplossing. In Leuven gebruiken ze tekstbestanden met regels als “copy MARC 245a to dc:title”. Op basis van dat bestand kan hun software dan een bestand met MARC records omvormen tot een bestand met Dublin Core. Zo’n tekstbestand is een stuk leesbaarder dan de gebruikelijke XSLT (dat wij bijvoorbeeld in DSpace gebruiken) en kan ook door niet-ontwikkelaars gemaakt worden. In Dresden proberen ze het nog gebruiksvriendelijker te maken, met een web applicatie waar je kan aangeven “dit veld in de linker kolom moet naar dat veld in de rechter kolom”. De software is nog in de alpha versie, maar er is al een screenshot te zien.

Die mooie software uit Dresden maakt gebruik van Linked Open Data. Dat is al enkele jaren een veel voorkomend onderwerp op ELAG conferenties, zowel in presentaties als in workshops. Zo langzamerhand weten veel bibliotheken wel hoe Linked Open Data werkt, maar hebben ze nog niet echt een idee waarvoor ze het willen gebruiken. Zoiets als hierboven genoemd is, VIAF gebruiken voor auteursnamen, is vrij voor de hand liggend; maar er moet toch meer te bedenken zijn. Maar ook de andere kant op, bij het aanbieden van linked data, kan er meer dan de meeste bibliotheken nu doen. Zo is de European Library nu bezig om beschrijvingen op collectieniveau als linked data open te stellen. Zie bijvoorbeeld het Cendari project Misschien iets voor de collecties die wij nu beschrijven in het Digitaal Repertorium?

Naast alle presentaties over dingen zichtbaar maken en linken, waren er ook presentaties over het werk dat op de achtergrond gebeurt. In Stockholm hebben ze tegenwoordig geen papieren briefjes meer voor collectiebeheer, maar slimme software. Als medewerkers boeken uit het depot gaan halen, laden ze een lijst met aanvragen op hun smartphone. Als het boek gevonden is, kunnen ze met de smartphone de RFID chip lezen (of de barcode als het boek nog geen chip heeft), waardoor de software gelijk weet “het boek is op weg naar de afhaalkast”.

Ook over digitalisering werd het een en ander verteld. In Leuven zijn ze bezig met het verbeteren van de OCR. Vooral in het begin is daar veel menskracht voor nodig, om het OCR programma te trainen. Voor de fijnproever: ze gebruiken de Abbyy FineReader SDK 11. Vanuit Denemarken was er een verhaal over alles wat er mis kan gaan als je je scanwerk door externe bedrijven laat doen; vooral als je de resultaten wilt gebruiken voor meer dan alleen een website valt het niet mee om een bedrijf goede kwaliteit te laten leveren.

Zelf heb ik iets verteld over onze eigen webservices en vooral over Lean Startup.

Naast alle presentaties waren er ook workshops. Ik heb gekozen voor de workshop “Preparing for the Future” oftewel “hoe voorspel ik de toekomst en wat doe ik er dan mee?”. Zo’n workshop zouden we ook heel goed hier in de bibliotheek kunnen houden, dus ik beschrijf hem wat uitgebreider. Je begint in groepjes van 4-5 mensen met het bedenken van de belangrijkste ontwikkelingen voor je bibliotheek: vijf op de korte termijn, vijf voor de middellange en vijf voor de lange termijn. De ideeën worden op een lange lijst gezet en de hele groep stemt voor de top 5 per termijn. Nu komt het moeilijke stuk: kies één van de voorspellingen uit de top 5 en maak daar een business case voor. Wie moet je overtuigen dat deze ontwikkeling van belang is? Hoe ga je ze overtuigen? Wat zijn de risico’s en hoe ga je daar mee om? En wat gaat er mis als je niet mee gaat in deze ontwikkeling? Ook dat doe je weer in subgroepjes, want tot slot ga je jouw business case presenteren aan de rest. Als je een beetje spannender wil maken kun je er een wedstrijd van maken: welke business case krijgt de meeste stemmen? Het mooiste zou zijn als de winnaars vervolgens hun idee echt aan het management (of geldschieters) zouden presenteren. Overigens: in onze presentatie hadden we als risico opgenomen “de EU splijt uiteen”; want soms heeft de buitenwereld effect op de bibliotheek.

Lees ook de verslagen van Lukas Koster en Rurik Greenall;  Patrick Hochstenbach heeft een mooi grafisch verslag op Twitter gezet.

Op de congrespagina kun je nu alvast de PowerPoints van de presentaties vinden. De video opnames komen binnenkort, als je het allemaal zelf eens wil zien. En misschien wil je zelf ook wel eens naar een ELAG congres. Volgend jaar is het in Stockholm.

 

Geplaatst in congressen, data, I&M2.0, innovatie | Een reactie plaatsen

Verslag over de bijeenkomst: De evoluerende academische uitvoer en het bijbehorende rentmeesterschap ecosysteem

Dit is een gecombineerde bijdrage van Tessa Pronk (10 juni) Theo Engelman (10/11 juni) en Jan Molendijk (11/12 juni)

Op 10 juni was de OCLC/DANS workshop over “The evolving scholarly record and the evolving stewardship ecosystem”, naar aanleiding van het OCLC rapport hierover. In het kort behandelt het rapport het volgende. Onderzoekers produceren naast traditionele papers ook veel materiaal IN AANLOOP NAAR en NAAR AANLEIDING VAN het paper materiaal dat ook opgeslagen kan worden. Denk dan aan onderzoeksvoorstellen, ruwe data, protocollen, software, presentaties op conferenties, posters, discussies over een paper, samenvattingen, blogs. Er is een trend gaande om deze materialen als onderdeel van de ‘scholarly record’ te zien. Hier ligt een uitdaging om deze materialen te formaliseren als deel van de output door ze te verzamelen, refereerbaar te maken en toegankelijk. OCLC ziet als sleutelrollen hierbij 1) creëren 2) fixeren 3) gebruiken 4) collectioneren. Verschillende belanghebbenden kunnen deze rollen vervullen. In sommige scenario’s worden rollen gepasseerd, bijvoorbeeld bij social media gaat de lijn direct van creëren naar gebruiken.
De workshop had drie keynote speakers: Ricky Erway van OCLC research, die het rapport uiteenzette, Natasa Milic-Frayling van Microsoft Research die vertelde over initiatieven om het onderzoeksproces digitaal vast te leggen, en Herbert van de Sompel die zijn visie gaf op de trends binnen het wetenschappelijke onderzoek (een slide uit een eerdere presentatie):

future of scholarly record

slide uit presentatie “evolving scholarly record”

Als afsluiting waren er break-out sessies waar gediscussieerd werd over alles wat langs was gekomen. In de sessie van Tessa werd het gebruik van vaste identifiers zoals ORCID en ISNI benadrukt. Bovendien kwam de conclusie dat de bibliotheek zich de rol zou kunnen toe-eigenen om zich te ontfermen over de scolarly output die nog niet door commerciele partijen opgeeist zijn, zoals ze ook met PhD-theses hebben gedaan.
In de sessie van Theo ging het over het bevorderen van alliaties tussen de diverse belanghebbenden, waaronder als eerste de onderzoekers/wetenschappers, daarna bibliotheken, institutionele ICT-afdelingen/datacenters, beleidsmakers op institutioneel/regionaal/nationaal/internationaal terrein, financiers van onderzoek en uitgevers. Daarbij spelen wortel/stok strategiën een rol. Naast het stellen van onmisbare regels en het vastleggen van afspraken/protocollen rondom het vastleggen van de diverse vormen van research data werkt met name het creeëren van bewustzijn van het eigen belang voor elke partij als alliantie bevorderend. Als laatste werd gewezen op het gebruik maken van kansen zoals de recente wetenschappelijke fraude affaires in Nederland waarmee via de publieke opinie bij beleidsmakers een gevoel van urgentie onstaat voor de nodige beleidsbeslissingen inclusief het vrijmaken van de daarbij horende middelen om dat beleid uit te voeren.

Op 11 juni ’s morgens werd de workshop vervolgd met presentaties vanuit diverse internationale (maar ook Nederlandse en Utrechtse) initiatieven en ontwikkelingen om de verandering in wetenschappelijk onderzoek en communicatie te ondersteunen. Anja Smit vertelde over hoe de UBU met VKC’s, ABO (Annoted Books Online) en DVN gereageerd heeft op vragen om ondersteuning vanuit de onderzoeksgemeenschap, maar ook hoe de UBU zelf initiatieven zoals Igitur ontwikkelt en presenteert naar de onderzoeksgemeenschap. Vanuit de British Library en Nijmegen werden mooie voorbeelden gepresenteerd welke tot nog toe onvoorziene mogelijkheden allemaal aangeboord kunnen worden als veel full-tekst data of gedigitaliseerde afbeeldingen beschikbaar komen. De British Library was zelf ook verbaasd dat het publiceren van scans van afbeeldingen zonder metadata op Flickr binnen 6 maanden 150 miljoen ‘views’ trekt, waarbij waardevolle metadata door de viewers d.m.v. tagging wordt toegevoegd aan de afbeeldingen.
In de middagsessie presenteerden Edinburgh en Amsterdam hun reeds lopende projecten voor het opzetten van diensten op het gebied van research data management en Paul Wouters van CSTS in Leiden toonde de waarde en mogelijkheden van ‘metrics’ om de impact en toegevoegde waarde van onderzoek uit te tillen boven de momenteel hoog in aanzien staande citatie ranglijsten en tijdschrift impact factors.
Mica Altman van MIT benadrukte daarna het belang van researcher identifiers en gaf een goed beeld van de diverse systemen (ISNI, OrcID en spelers die zich nu al bezig houden met deze materie.
Paolo Manghi, als onderzoeker verbonden aan het ISTI in Italië gaf als laatste een interessante presentatie over OpenAir en de impact dat de Horizon 2020 van de EU gaat hebben op onderzoek, onderzoeks financiering en onderzoeksdata/resultaten. De nadruk op Open Access voor zowel data als publicaties in die EU agenda kan van grote invloed zijn op de behoefte aan faciliteiten voor en ondersteuning van onderzoekers, waarin bibliotheken een belangrijke rol kunnen spelen.
Ter afsluiting werden alle deelnemers uitgenodigd voor een rondleiding door de zeer interessante tentoonstelling ‘De Krim – Goud en Geheimen van de Zwarte Zee’ met historische artefacten van De Krim verzorgd door de afdeling bijzondere collecties van de UvA in het Allard Piersson museum. Deze tentoonstelling is nu wel heel actueel, aangezien de collecties bij de opening in bruikleen waren van musea in De Krim, terwijl daar ineens een compleet nieuwe staat is ontstaan, die weliswaar door weinig landen erkend wordt, maar waarvan de nieuwe machthebbers zeker aanspraken op teruggave van de geleende ‘schatten’. Uiteraard maakt de Oekraïnse regering in Kiev diezelfde aanspraken ook, je zal maar conservator zijn van zo’n tentoonstelling ;-)

Op 12 juni vond de laatste sessie plaats, met drie plenaire sprekers en een discussie in de hele groep. De sprekers benadrukten allen het belang van een gerichtheid op de gebruiker, maar ieder vanuit een ander perspectief. Lynn Silipgni Connaway van OCLC Research presenteerde de uitkomsten van een aantal onderzoeken naar hoe mensen informatie zoeken – binnen of buiten de bibliotheek. Op zich is het niet (meer) verrassend dat Google en Facebook het winnen van de bibliotheek, maar wel dat gebruikers met inzichten komen als “zou het niet geweldig zijn als je gewoon naar de bibliotheek kunt bellen en iemand je vraag kunt voorleggen” – iets wat in heel veel bibliotheken al tientallen jaren mogelijk is. Nog een verrassend inzicht: scholieren vragen liever iets aan hun vader dan aan hun moeder, want vader geeft gewoon het antwoord, en moeder probeert hen te leren hoe ze het antwoord in het vervolg kunnen vinden – klinkt dat niet bekend?
Paul-Jervis Heath, als Head of Innovation en Chief Designer actief bij de University of Cambridge bekeek bibliotheekdiensten vanuit een design perspectief, en dat begint met het observeren van gebruikersgedrag. Dat gaat heel ver: van het gebruiken van een diary app, via life-logging camera’s tot het in persoon schaduwen van gebruikers in hun werk – kijken, observeren en leren van werkelijk gebruik. De methode lijkt heel sterk op wat wij doen met Lean Startup en levert hen opmerkelijke inzichten op, zoals dat een student alles wat buiten de driehoek kamer – faculteitsgebouw – favoriete supermarkt ligt als ‘ver’ ervaren – zit uw bibliotheek op de juiste plek?
James Michalko van OCLC Research tenslotte keek naar de reorganisaties die veel bibliotheken nu doorvoeren – uiteindelijk allemaal in de richting van een ‘user centered’ organisatie, dus minder vanuit functies gedacht, en meer vanuit klantgroepen (bijv. onderzoekers, studenten, docenten). Research Data Management is voor veel bibliotheken het middel om de dialoog met onderzoekers opnieuw aan te gaan en te kijken waar de bibliotheek waarde kan toevoegen aan het totale proces van de universiteit.
Al met al drie heel interessante dagen met veel nieuwe inzichten en levendige discussies. Als de presentaties online komen zullen we hier een link opnemen.

Geplaatst in I&M2.0 | 1 reactie