Van Isar tot Cam: cartografische impressies uit Duitsland en Engeland

Begin september 2010 vond in het Duitse München het 15de Kartographiehistorisches Colloquium plaats. Een krappe week later organiseerde de afdeling kaartbeheerders van de British Cartographic Society in het Engelse Cambridge een congres onder de titel Beyond the neat line: More than just geography. Marco van Egmond, conservator kaarten en atlassen bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht (UBU) bezocht beide evenementen en doet verslag.
 
Trendy

Het tweejaarlijkse Kartographiehistorisches Colloquium wordt georganiseerd door de Duitse, Zwitserse en Oostenrijkse vereniging van kaarthistorici DACH. Deze historisch-cartografische congressen zijn telkens in een andere stad in het Duitse taalgebied. Dit keer was München aan de beurt. Duitslands derde stad, aan de rivier de Isar, blijkt opvallend levendig, jeugdig en trendy. Hoewel de helft van de stad na de Tweede Wereldoorlog in puin lag, is en wordt er alles aan gedaan om het historisch centrum weer de oude glans terug te geven. Natuurlijk zijn de sporen van de toenmalige verwoesting her en der nog zichtbaar en tonen de monumenten ‘te nieuw’, maar de stad kan bepaald niet ongezellig genoemd worden. Ook bezit het enkele fraaie parken, waar het goed vertoeven is. Temidden van dit decor werden voornamelijk in het gebouw van de topografische dienst van Beieren de sessies van het Colloquium gehouden.

‘Tijdlandkaarten’

Op de DACH-congressen hoef je geen zware theoretische verhandelingen over het vak te verwachten; het gaat veelal om een overzicht van de stand van zaken van lopend onderzoek en om toepassingsmogelijkheden van oude kaarten bij bijvoorbeeld landschapsgenese of planologie. Zoals gebruikelijk hadden voorts enkele lezingen betrekking op de congresstad zelf, in dit geval München dus. Heel Duits is ook de sterk regionale benadering van de onderwerpen, niet vreemd gezien de sterke federale structuur van het land. De Zwitsers daarentegen, die er toch ook een federatie op nahouden, richten de ogen wat meer op de nationale en internationale aspecten.

Wat mij betreft de beste lezing was die van dr. Martin Rickenbacher van de Zwitserse topografische dienst. Hij sprak over een internetapplicatie voor zogeheten ‘tijdlandkaarten’ (Zeitlandkarten). Door het digitaliseren en homogeniseren (normieren) van topografische kaarten uit verschillende periodes van een bepaald gebied kan de ruimtelijke ontwikkeling van dit gebied in de afgelopen 200 jaar als in een film gevolgd worden (zie: https://dav0.bgdi.admin.ch/swisstopo/about/publi/ZeitlandkarteSissach.html). ‘Google heeft de derde dimensie. Wij cartografen moeten de vierde dimensie claimen’, aldus Rickenbacher.

Lithografische stenen

Een ander noemenswaardig referaat was dat van dr. Stefan Müller. Hij behandelde de geschiedenis van de wereldkaartenprojectie, die historicus Arno Peters uit Bremen in 1973 introduceerde. Deze ‘petersprojectie’ was Afrikacentrisch, in tegenstelling tot de dan algemeen gehanteerde mercatorprojectie die te Europacentrisch zou zijn. Het kwam ‘buitenstaander’ Peters op veel kritiek van de cartografische wereld te staan, maar niettemin heeft zijn projectie tot op de dag van vandaag veel invloed en navolging gehad.

Tenslotte viel de lezing van prof. dr. Beata Medyńska-Gulij op, niet zozeer vanwege het onderwerp – grafische principes van 18de-eeuwse Pruisische kaarten – als wel door het gebruik van klassieke muziek om het publiek in de stemming te brengen. Dit was ik nog niet eerder op een congres tegengekomen…

1. Een klein deel van de indrukwekkende voorraad lithografische stenen in de kelder van de topografische dienst van Beieren.

Buiten het lezingenprogramma om waren er in München tevens enkele werkbezoeken, tentoonstellingen en excursies. Indrukwekkend in dit verband was het bezoek aan het lithografische museum van de Beierse topografische dienst, waar op oorspronkelijke wijze een steendruk werd vervaardigd. Nóg meer imponerend was echter de compleet bewaard gebleven voorraad lithografische stenen, die men in Beieren in het verleden voor het drukken van de topografische kaarten had benut. In totaal liggen in de kelder van de topografische dienst bijna 27.000 stenen opgeslagen, de grootste collectie ter wereld! Om over het totale gewicht van 1.700 ton maar te zwijgen…

 Op naar Cambridge

Na het succesvolle congres in München werd enkele dagen later koers gezet naar de Universiteitsbibliotheek van Cambridge voor de jaarlijkse meerdaagse bijeenkomst van de kaartbeheerders van de Britse cartografische vereniging. De mooie historische stad Cambridge is vernoemd naar het riviertje de Cam, waar de Romeinen een brug over hadden gelegd. Cambridge is eigenlijk één grote campus, vol universiteitsgebouwen en aanverwante parken, pleinen en sportvelden. De stad telt maar liefst 31 colleges, waarvan de eerste al uit de 13de eeuw dateert. Al die colleges beschikken ook nog eens over een eigen kerk of kapel, dus de cultuurhistorie is rijk vertegenwoordigd.

2. Het gebouw van de Universiteitsbibliotheek van Cambridge.

De congrespopulatie bestaat gewoonlijk vooral uit Engelsen, Schotten, Ieren en Welshmen. Om het wat meer internationaal cachet te geven, worden vaak sprekers van buiten het Verenigd Koninkrijk uitgenodigd om een inhoudelijke bijdrage te leveren. Ook ondergetekende was op die manier gevraagd om een lezing te verzorgen over de manier waarop de UBU omgaat met het archiveren en toegankelijk maken van digitale geodata. In Utrecht bezitten we inmiddels een aanzienlijke hoeveelheid digitale cartografische bestanden, die de analoge kaartencollectie heel mooi aanvult. Het goed toegankelijk maken van deze bestanden stuit vooralsnog echter op problemen van juridische aard en een tekort aan personeelscapaciteit.

Hilarische randinformatie

Natuurlijk was het in Cambridge niet alleen Utrecht wat de klok sloeg. Andere sprekers gingen bijvoorbeeld in op de historie van de eerste landsdekkende kadastrale kaart van Engeland en Wales. Ook de vaak onduidelijke en soms ronduit hilarische randinformatie op 20ste-eeuwse Engelse topografische kaarten passeerde de revue. Martin Andrews van het typografisch departement van de University of Reading behandelde de diverse vormen van druktechnieken door de eeuwen heen. Heel vertrouwd, maar dankzij de vele fysiek aanwezige voorbeelden altijd nuttig. Matt Knutzen van de kaartenafdeling van de New York Public Library demonstreerde tenslotte een open source internetapplicatie, waarmee buitenstaanders kunnen helpen met het georefereren van oude kaarten van New York (zie http://maps.nypl.org). Een soort Web 2.0-oplossing voor het toegankelijk maken van de eigen kaartencollectie en het toepassen in historisch onderzoek naar ruimtelijke ontwikkelingen.

3. Uitzicht op Cambridge vanaf de Castle Mound, het hoogste punt in de omgeving waar vroeger het middeleeuwse mottekasteel stond.

Tijdens het congres werd de mogelijkheid geboden om deel te nemen aan enkele excursies, onder andere naar enkele cartografisch interessante musea en ook de British Library in Londen. Uiteraard mocht een typisch Engels diner niet ontbreken. De gemoedelijke sfeer hier was illustratief voor het hele congres. Vele Duitse en Engelse cartografische bevindingen en indrukken rijker kon de terugtocht naar Nederland aanvaard worden…

Dit bericht werd geplaatst in congressen, I&M2.0. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s