Charleston #9: Bibliotheken, publishers en publishing

Twee plenaire koffietafeldiscussies tijdens de Charleston Conference gingen over bibliotheken en uitgevers. Welke ontwikkelingen spelen er binnen Scholarly Publishing en hoe kijken bibliotheken en uitgevers naar elkaar.

De eerste discussie was een vervolg op een initiatief uit 2009, de Scholarly Publishing Round Table. Dit leidde tot een rapport in januari 2010. Uniek aan dit initiatief was dat de verschillende partijen (bibliotheken, profit en non-profit uitgevers en academici) samen werkten aan een visie op wetenschappelijke publicaties. Eeuwen lang hebben universiteiten en uitgevers samengewerkt om wetenschappelijke publicaties beschikbaar te maken. De laatste jaren staan de partijen lijnrecht tegenover elkaar.

Tot duidelijke vorderingen heeft het rapport nog niet geleid. Of het moet de opname zijn van een passage over Open Access in de wet America COMPETES.

De versies van tijdschriftartikelen werd ter discussie gesteld. Het werken aan een artikel wordt meer een continu proces. Wordt een artikel nog stabiel, op welk moment neemt een bibliotheek een artikel op of publiceert een uitgever deze?

Doet een tijdschrift er nog wel toe? Door betere vindbaarheid van artikelen duikt een lezer vaak direct een artikel in, zonder notie van het tijdschrift waarin dat artikel staat. Onderzoek laat zien dat 40% van de afgewezen artikelen uiteindelijk worden geaccepteerd door een ander tijdschrift van vergelijkbaar niveau. Een uitgever kan ook een artikel accepteren en er op basis van peer review een waarde aan toekennen, vergelijkbaar met de status van een tijdschrift waarin nu wordt gepubliceerd. Citaties kunnen die waarde later verhogen.
(Er was een lezing met vergelijkbare strekking, The Journal Issue Is Dead; Long Live the Article. Ik was daar niet bij, maar wellicht komt die presentatie of een verslag nog online).

 

In een tweede discussie praatten Anne Kenney, de bibliothecaris van Cornell University, en Kevin Guthrie, president van ITHAKA (en oprichter van JSTOR) over bibliotheken en publishers, aan de hand van een aantal vragen.

Wat zijn de grootste problemen voor bibliotheken?

A. Steeds meer budget gaat naar e-content (60%). Alleen grootmachten als Harvard en Yale zitten daar nog onder. De diversiteit was vroeger groot. De collecties worden door deze ontwikkelingen steeds homogener.
Daarnaast zijn bibliotheken als organisaties nog steeds ingericht op fysieke locaties en fysieke objecten. Dit moet veranderen.

K. het gaat om het bij elkaar brengen van auteur en lezer. Oude structuren en tegenstellingen tussen bibliotheken en uitgevers mogen dit niet in de weg staan.

Welke misvattingen bestaan er tussen bibliotheken en uitgevers?

A. bibliotheken denken dat uitgevers hen als verkoopkanaal zien in plaats van informatiebemiddelaars. Er is een sterke relatie tussen bibliotheek en lezer.

K. bibliotheken moeten ondernemerschap en economie van uitgevers begrijpen. Het belangrijkste is de kwestie van waarde. De kosten van publicaties zijn duidelijk, de waarde niet. Usage en citation impact zijn niet genoeg, de bibliotheek moet een manier vinden om die waarde wel te bepalen.

A. Een andere meningsverschil is auteursrecht. e-lending en IBL voor e-books bestaan niet. Fair use moet een gedeeld doel van beide partijen zijn. Vergelijk dit met bit torrents. De meeste downloads via bit torrents zijn illegaal. Artiesten moeten optreden om geld te verdienen. In wetenschap bestaat die mogelijkheid niet. Uitgevers en bibliotheken moeten ervoor zorgen dat publicaties buiten het illegale circuit blijven.

Een vraag uit de zaal ging over alumni. Afgestudeerden verliezen toegang tot alle bronnen die ze in hun studie mochten gebruiken. Deelnemers aan de Occupy Movement zouden bijvoorbeeld veel wijsheid uit deze bronnen kunnen halen. Is dit geen gat in de markt? Anne Kenney noemt het een interessante optie. Vooral tijdens de onderbrekingen in wetenschappelijke carrieres (bijvoorbeeld tussen de undergraduate en graduate fase) is blijvende toegang tot wetenschappelijke informatie belangrijk.

Een andere vraag werd gesteld naar platforms voor e-books van University Presses. Er worden momenteel vier verschillende platforms ingericht. Daar wordt de bibliotheek toch niet blij van? Kevin Guthrie antwoord dat samenwerking goed is, maar dat het voordeel van competitie ook niet onderschat moet worden. Er moet vooral voldoende schaal zijn, vanuit die optiek zijn vier platforms al een stap in de goede richting. Anne Kenney beaamt dat één platform ook niet goed zou zijn.

 

Dit bericht werd geplaatst in Charleston 2011, congressen, Open Access, tijdschriften. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s