De open access consumentenbond

Zoals overal waar geld verdiend kan worden, zijn er ook in het open access veld kapers op de kust. In de afgelopen 10 jaar zijn er tal van partijen opgestaan die het open access uitgeefmodel – waarbij de auteur moet betalen voor publicatie van zijn/haar artikel – misbruiken, met als enig doel om geld te verdienen. Deze ‘uitgevers’ vragen een Article Publication Charge (APC) voor vage platforms of tijdschriften met een discutabele of vaak volstrekt geen reputatie.

Al sinds 2008 is Jeffrey Beall, bibliothecaris aan de Auraria Library, University of Colorado Denver, bezig met het kwaliteitsvraagstuk rond open access tijdschriften. In 2010 is hij begonnen met het opstellen van een lijst (de Beall’s list) van zogenaamde ‘predatory journals’.[1] In 2011 schreef Bianca Kramer hier al een blogpost over.

De uitgeverijen/tijdschriften die als ‘predatory’ worden gekenmerkt, zijn vaak te herkennen aan agressieve marketingstrategieën en (spam)mailings die oproepen om een artikel in te dienen voor een tijdschrift dat na een kritische blik niet meer is dan een hol vat. Deze Beall’s list heeft in de afgelopen jaren de nodige autoriteit weten op te bouwen en dat is voor een gedeelte ook terecht.

Beall was een van de eersten die dergelijke misstanden systematisch in kaart heeft gebracht. Hij heeft ook keurig de criteria waarop hij de tijdschriften en uitgevers beoordeelt, in een document gezet, en dat hij voortdurend voorziet van updates. In dit document (laatste versie: 2015) schrijft Beall:

“Evaluating scholarly open-access publishers is a process that includes closely, cautiously, thoroughly, and at times skeptically examining the publisher’s content, practices, and websites: contacting the publisher if necessary, reading statements from the publisher’s authors about their experiences with the publisher, and determining whether the publisher commits any of the following practices (below) that are known to be committed by predatory publishers, examining any additional credible evidence about the publisher, compiling very important “back-channel” feedback from scholarly authors, and taking into account counter-feedback from the publishers themselves.”[2]

Maar in de afgelopen twee jaar is er ook steeds meer kritiek op zijn werk gekomen. Zo is het lang niet altijd duidelijk waarom een uitgeverij of tijdschrift op zijn lijst belandt. Een dergelijke beslissing wordt bijna altijd door Beall zelf genomen, zonder dat daar een duidelijke, voor de buitenwereld zichtbare procedure aan vooraf is gegaan. Transparantie is dus een duidelijk probleem; precies hetgeen hij zelf aan de kaak probeert te stellen in bovenstaand citaat.

Het blijkt dat er vrijwel nooit sprake is van ‘back-channel’ feedback, althans, deze wordt niet tot zelden openbaar gemaakt. Zo heeft de uitgever Frontiers in oktober 2015 de Beall’s lijst gehaald.

Hierover ontstond een (voornamelijk online) discussie over de ratio achter deze beslissing.[3] Veel academici (die ook deels betrokken zijn als editor bij Frontiers) vielen over deze keuze. De beslissing zou te eenzijdig zijn, zou teveel nadruk leggen op wat niet goed gaat in de redactieprocessen, etc.. Overigens heeft Beall in 2013 wel degelijk een waarschuwing afgegeven, maar dit is vrij summier geweest. Maar helemaal uit het niets kwam zijn actie dus niet.[4] Ondanks de commentaren ten faveure van Frontiers heeft de uitgeverij wel maatregelen genomen om bepaalde redactieprocessen te verbeteren. Beall’s actie heeft dus wel degelijk geleid tot actie/reactie. Of het terecht is, laat ik hier nu even in het midden. De discussie duurt nog voort.

Maar dat er veel over de lijst te doen is, mag wel duidelijk zijn. Zo is er een aanklacht tegen Beall ingediend door een uitgever die vond dat zij onrechtmatig op de lijst is gekomen.[5] Onlangs is zelfs gesuggereerd dat Beall tegen betaling assessments zou doen om een tijdschrift of uitgeverij van zijn lijst te halen.[6] Het is lastig om de authenticiteit van een dergelijke beschuldiging echt te achterhalen en daar moeten we dan ook voorzichtig mee zijn. Het is wel duidelijk dat er de laatste tijd een aantal fanatiekelingen een kruistocht is begonnen tegen alles wat Jeffrey Beall aan het doen is.[7] Dit soort praktijken draagt echter niets bij aan de zoektocht naar een werkbaar systeem waarbij we de rotte appels kunnen scheiden van het gezonde fruit. We moeten immers niet vergeten dat ook in de oude wereld zonder internet en digitalisering er rotte appels in de fruitmand zaten.

Beall positioneert zich al enkele jaren steeds vaker in het tegenkamp van open access. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar door zelf volstrekt niet transparant te zijn, ondermijnt hij wel zijn (hopelijk) goede bedoelingen. Dus ook hij moet wel degelijk, net zoals ieder ander die zich autoriteit toe-eigent, voortdurend onder een vergrootglas worden gehouden. Het is echter niet zinvol om hem totaal op een zijspoor te zetten. Ondanks zijn soms zeer negatieve uitlatingen over open access publiceren, heeft hij er wel voor gezorgd dat we kritisch zijn gaan kijken naar de kwaliteit van open access, en meer specifiek de verdienmodellen die daar omheen hangen. Het feit dat op dit moment de focus ligt op het voorafgaand aan publiceren betalen, maakt wel dat er goed moet worden nagedacht over hoe we de kwaliteit kunnen waarborgen zonder dat de financiële prikkel leidend zal zijn.

Overigens is in het oude abonnementenmodel de financiële prikkel ook altijd al zeer bepalend geweest. Het is niet voor niets dat de grote uitgeverijen hun ‘eigen’ meet-en-weet systemen van citaties indexen en impact factors met hand en tand blijven verdedigen. Een typisch geval van: “Wij van wc-eend raden aan: wc-eend”. Zijn er dan ook andere manieren om de kwaliteit van open access tijdschriften en uitgeverijen te beoordelen? Jazeker. Inmiddels zijn er een aantal nationale en internationale initiatieven ontwikkeld die veel zeggen over de kwaliteit van een open access tijdschrift.

In de eerste plaats heeft de Directory of Open Access Journals haar toegangseisen in de afgelopen twee jaar sterk verzwaard. Een journal moet aan een behoorlijke set aan eisen voldoen om te worden toegelaten tot de index. Als een tijdschrift in de DOAJ staat, dan kan men ervan uitgaan dat het om een degelijk tijdschrift gaat dat in ieder geval voldoet aan de technische (infrastructuur, opslag, verspreiding) eisen. Hoe een redactie is gevormd en of dat voor het vakgebied relevant is, blijft natuurlijk een zaak tussen wetenschappers onderling.

In Nederland is in 2014 de Quality Open Access Market opgezet. Door de academische gemeenschap uit te nodigen om open tijdschriften van een beoordeling (zogenaamde journal score cards) te voorzien, is er een beoordeling vanuit de gemeenschap. Een toevoeging is dat er ook melding wordt gemaakt of er, en hoe hoog, een APC is.

QOAM Banner

Er wordt hiermee dus meteen iets gezegd over de prijs-kwaliteitverhouding. Overigens maakt QOAM voor de metadata gebruik van onder andere de databasegegevens van DOAJ. Door de opzet van crowd-sourcing staat of valt QOAM bij een bijdrage vanuit de academische wereld. Tot nu toe lijkt er nog niet genoeg kritische massa aan beoordelingen aanwezig om een volledig overzicht te kunnen bieden.

In september 2015 werd de website ThinkCheckSubmit gepresenteerd. Doel van de website is om bewustwording te creëren onder wetenschappers over open access tijdschriften en hun kwaliteit. Waar moet je op letten? Wat is belangrijk voor een goede verspreiding? En doet het tijdschrift ook wat het belooft? Door een reeks van vragen voor te leggen kan een onderzoeker zelf een oordeel vellen over het open access tijdschrift waarin mogelijk gepubliceerd gaat worden.

think-check-submit-300x288

Think Check Submit checklist

Bovengenoemde websites betreffen allemaal nieuwe initiatieven, maar men kan ook zoeken en vinden in bestaande systemen. Inmiddels worden sinds een aantal jaar ook in Scopus en Web of Science open access tijdschriften geïndexeerd. Deze tijdschriften moeten aan hoge standaarden voldoen en zullen dus niet zomaar in deze indexen verschijnen.

Er leiden dus verschillende wegen naar Rome als het gaat om het kunnen beoordelen of een tijdschrift de kwaliteit biedt die de onderzoeker wil hebben. Op vele plekken[8] wordt de Beall lijst genoemd als de plek om het kaf van het koren te kunnen scheiden. En het advies is om (de meeste van) deze open access tijdschriften ook echt te mijden. Maar we moeten ons realiseren dat dit ook maar een stem is. Zo is bijvoorbeeld uitgeverij Multidisciplinary Digital Publishing Institute (MDPI) in 2014 op de Beall lijst beland, maar hebben verschillende Nederlandse universiteiten wel een open access deal met deze uitgeverij.[9]

Echter, het beoordelen van een tijdschrift zal altijd een afweging moeten blijven van je eigen ervaring(en), beschikbare online bronnen en indexen, reacties uit de eigen community, en een portie gezond verstand.

Noten

[1] Beall, Jeffrey “Predatory” Open-Access Scholarly Publishers. The Charleston Advisor, 2010, vol. 11, n. 4, pp. 10-17. http://hdl.handle.net/10760/14576

[2] Criteria for Determining Predatory Open-Access Publishers, p. 1, Jeffrey Beall 3rd edition / January 1, 2015. https://scholarlyoa.files.wordpress.com/2015/01/criteria-2015.pdf.

[3] Zie bijvoorbeeld: https://forbetterscience.wordpress.com/2015/10/28/is-frontiers-a-potential-predatory-publisher/ en https://forbetterscience.wordpress.com/2016/01/07/frontiers-christmas-carol/.

[4] Beall, ‘I get complaints about Frontiers’. https://scholarlyoa.com/2013/11/05/i-get-complaints-about-frontiers/ (geraadpleegd 29 april 2016).

[5] http://www.npr.org/sections/thetwo-way/2013/05/15/184233141/publisher-threatens-librarian-with-1-billion-lawsuit (geraadpleegd: 16 maart 2016).

[6] Open Access Publishing – USD 5000 is enough to remove your publisher’s name from Beall’s list (geraadpleegd 21 maart 2016) https://sfoap.wordpress.com/2016/03/21/open-access-publishing-usd-5000-is-enough-to-remove-your-publishers-name-from-bealls-list/

[7] Zie als voorbeeld: http://www.scholarlyoa.net/ (geraadpleegd 29 april 2016). Dit is een voorbeeld van een regelrechte lastercampagne tegen de persoon Jeffrey Beall.

[8] Ook op www.openaccess.nl wordt de Beall lijst als autoriteit opgevoerd.

[9] Voor een wat uitgebreider commentaar over de toevoeging van MDPI: https://en.wikipedia.org/wiki/MDPI#Inclusion_in_Beall.27s_list (geraadpleegd 2 mei 2016).

Over Jeroen Sondervan

Jeroen Sondervan has 9 years of experience working in scholarly publishing. He studied Media and Information Management at the Hogeschool van Amsterdam (HvA) and Media and Culture at the University of Amsterdam (UvA). He initially started as a book publisher. Currently he is working in the field of open access journals and monographs. He is an active participant in the national and international open access movement.
Dit bericht werd geplaatst in 0pen access, I&M2.0, onderzoek, Open Access, Open science, tijdschriften, toekomst, voorlichting. Bookmark de permalink .

5 reacties op De open access consumentenbond

  1. hoi Jeroen, Dank voor deze update en het heel handige overzicht van de verschillende initiatieven.
    Hier kan ik ook iets mee richting faculteit!
    Groet, roos

  2. Jan de Boer zegt:

    Ter illustratie bij die Frontiers discussie, ook na de opschoning van de DOAJ staan er nog 53 tijdschriften van Frontiers in de DOAJ. Onderzoekers kunnen hun artikel bij Frontiers gewoon financieren met het OA fonds van de UU (in 2015 waren dit een handvol artikelen).

    Ook in Scopus worden 29 tijdschriften van Frontiers actief ontsloten, in Web of Science nog meer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s