OAI9 : CERN Workshop on Innovations in Scholarly Communications

Elke twee jaar is er in Genève een congres over “scholarly communications”. Dit jaar zijn Jeroen Bosman, Bianca Kramer en Marina Muilwijk daarheen geweest. Deze post bevat het verslag van Marina.

Voorafgaand aan het congres zelf was er een dag voor de DSpace User Group. Ik heb daar iets verteld over hoe onze DSpace samenwerkt met Pure, Narcis en Google Scholar. Een paar aardige dingen die ik daar leerde waren How open is it, om op basis van een DOI te kijken wat nu eigenlijk de licentie van een artikel is voor de eindgebruiker; en de tip om voor je statistieken vooral meerdere bronnen te gebruiken (bijvoorbeeld de statistieken van DSpace zelf plus Google Analytics), omdat ze geen van alle exacte cijfers kunnen leveren. Verder was er de presentatie van de plannen voor nieuwe features van DSpace, met de smeekbede aan instituten om toch vooral ontwikkelaars te leveren. Ze willen vanaf volgend jaar in sprints van één tot twee weken gaan werken, dus de tijdsinvestering is overzichtelijk; en Java-kennis is niet langer vereist.

Het gaat te ver om hier over alle presentaties van het congres te schrijven. Daarom hieronder alleen de dingen die mij het meest opvielen. Daarbij moet ik opmerken dat ik vooral aantekeningen heb gemaakt bij de meer technische sessies, dus ik hoop dat Bianca en Jeroen aanvullingen kunnen geven over de rest. De slides en de video-opnames van alles presentaties zijn te vinden via http://indico.cern.ch/event/332370/timetable/.

In de keynote gaf Michael Nielsen voorbeelden van wat er nog meer kan, behalve een gewoon artikel. Bijvoorbeeld een interactief essay, met daarin code die je zelf kunt uitvoeren en aanpassen. Zo kun je zien hoe een model zich gedraagt als je een parameter verandert. Een andere mogelijkheid is een grafisch model: pas de grafiek aan en kijk wat dat met je resultaten doet. Helaas willen uitgevers dit soort publicaties nog niet opnemen in hun tijdschriften.

‘s Middags was de technische sessie, met twee presentaties over Linked Data en één over “reference rot”. Als eerste werd het idee van Linked Data Fragments gepresenteerd: een sneller en stabieler alternatief voor SPARQL endpoints: Linked Data Fragments. Daarna werd uitleg gegeven over “trusty URIs”: een manier om zeker te weten dat de (nano)publicatie of dataset waarnaar je een verwijzing hebt, sindsdien niet veranderd is: Trusty URI. Daaraan verwant is het probleem van “reference rot”: in een publicatie staat een referentie met een URL, maar die URL blijkt niet meer te bestaan of naar iets anders te verwijzen dan wat de auteur bedoelde. De oplossing die wordt voorgesteld is om je publicaties altijd van een (machineleesbare) datum te voorzien, elke online bron die je gebruikt in een web-archief te zetten als ze daar nog niet staan en de link in je publicatie te voorzien van de informatie over het archief plus de datum (zie http://www.socialsciencespace.com/2015/02/the-digital-scholar-reference-rot-and-link-decorations/ voor uitleg enhttp://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0115253 voor details).

Op de tweede dag vielen mij vooral twee posters op, beiden over het gebruik van repositories voor andere dingen dan alleen artikelen. Voor de learning objects, foto’s en video’s op http://digitalcollections.qut.edu.au hebben ze de metadata door inhoudsdeskundigen laten invoeren in Excel en daarna ingelezen in het repository. Op die manier kregen ze goede metadata zonder dat de inhoudsdeskundigen de werking van de repository software hoefden te leren. Het TIB/AV Portal (http://av.getinfo.de) gaat nog een stukje verder. Naast de normale invoer van metadata, worden de video’s ook door beeldherkennings- en transcriptie-software gehaald, en de transcriptie door een textmining programma. Op deze manier worden geautomatiseerd metadata toegekend aan videofragmenten. Elk fragment krijgt bovendien een eigen DOI, zodat er makkelijk naar verwezen kan worden.

Op de laatste dag ging het over  “Institution as Publisher”, iets waar wij natuurlijk al ruime ervaring mee hebben, en over  “Digital curation and preservation of large and complex scientific objects”. De belangrijkste reden om je onderzoeksdata te bewaren is hergebruik. Maar dat blijkt in praktijk moeilijk, omdat je niet exact weet hoe de data verzameld en eventueel bewerkt zijn. Natuurlijk staat in de bijbehorende publicatie wel “we gebruikten apparaat X om de meting te doen en software Y voor beeldbewerking”. Maar het blijkt dat het voor het resultaat significant verschil kan maken of je versie 3.1.1 van software Y hebt gebruikt op Windows, of versie 3.1.0 op een Mac. En zelfs de versie van het apparaat kan verschil maken.  Dus zijn mensen bezig met oplossingen te verzinnen waarmee zo precies mogelijk kan worden vastgelegd wat er gebeurt tijdens het hele meet- en analyseproces. Het liefst natuurlijk geheel automatisch, zodat het de onderzoeker geen extra moeite kost.  En daarmee waren we weer terug bij wat er ook al in de keynote was opgemerkt: wetenschappelijke communicatie gaat over meer dan alleen artikelen.

Geplaatst in I&M2.0 | 2 reacties

Van abonnementen naar APC’s [update]

Via de nieuwsbrief OA van de VSNU werd ik geattendeerd op een interessant artikel over de kosten van Open Access afgezet tegen het abonnementenmodel: Disrupting the subscription journals’ business model for the necessary large-scale transformation to open access.

Op basis van verschillende data komen de auteurs tot verschillende inzichten, onder andere:

Insight 1
Under the current subscription system, a figure between EUR 3,800 and 5,000 is already being
paid per research article through library subscription spending.

Insight 2
There is currently already enough money in the system. A large-scale transformation from
subscription to open access publishing is possible without added expense.

Onder het tweede inzicht liggen gegevens van een aantal partijen die de hoogte van daadwerkelijk betaalde APC’s (Article Processing Charges) inventariseren waaruit een bedrag komt dat ver onder 2.000 euro ligt (uitgezonderd hybrid OA journals).

Interessant zijn de gegevens die bij het artikel geleverd worden: Number of Scholarly Articles per Country. Voor een aantal landen berekenen de auteurs hoe de kosten voor APC’s (2.000 euro per artikel) zich zouden verhouden tot de kosten die in die landen nu worden betaald voor toegang via abonnementen. Voor Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk vallen die berekeningen (ruim) in het voordeel van de APC’s uit.

Op basis van gegevens uit Web of Science zouden in 2013 24.043 artikelen gepubliceerd zijn met een corresponding author uit Nederland. Bij een gemiddelde prijs van APC’s van 2.000 euro zou dit neerkomen op 48 miljoen euro aan APC’s in Nederland. De hamvraag is dus, hoeveel betalen Nederlandse instellingen nu gezamenlijk aan tijdschriften?

Met de gezamenlijke UKB-bibliotheken gaan we dit bedrag niet halen. Maar ik heb geen idee hoeveel er door andere partijen (Hogescholen, onderzoeksinstellingen, bedrijven) aan abonnementen wordt betaald. Vermoedelijk komen we samen wel boven die 48 miljoen uit, maar volgens mij is de besparing door APC’s veel minder hoog dan in diezelfde berekeningen voor Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

De voorbeelden beperken zich nu tot west-europese landen. Eén van de gevolgen van het APC-model zou kunnen zijn dat onderzoekers van minder gefortuneerde instellingen/landen niet meer zouden kunnen publiceren. Om een paar landen te noemen: Kroatië zou ruim 5 miljoen euro aan APC’s moeten betalen, Griekenland ruim 15 miljoen euro, Chili ruim 8 miljoen. Hoeveel zijn de bibliotheken in die landen nu kwijt aan abonnementen en valt voor hen de vergelijking ook in het voordeel van de Gold OA uit?

Het artikel laat zien dat er voldoende geld in het systeem zit om een overstap naar Gold OA te maken en het biedt een aanzet om dit door te rekenen naar landelijk en lokaal niveau.

[Update 12 juni 2015]

Op 11 juni was Ralf Schimmer, één van de auteurs, te gast bij de UKB. Een aantal aanvullingen vanuit zijn presentatie en de discussie die daarop volgde:

  • Schimmer presenteerde het abonnementenbudget en APC-budget als corresponderende vaten. Hij verwacht niet het abonnementenbudget volledig zal verdwijnen. Er kunnen tijdschriften/vakgebieden zijn waarbij alle partijen het eens zijn dat het abonnementenbudget wel prima werkt. Dit geldt niet voor de STM en de grote uitgevers, en daarmee voor 80 tot 90% van het geld.
  • Ik vroeg naar het grote verschil tussen de gemiddelde APC-prijs waarmee hij in het onderzoek rekent en de gemiddelde opbrengst van een artikel in het abonnementenmodel. Kunnen we niet verwachten dat uitgevers in een OA model de APC prijzen zullen verhogen zodat hun inkomsten gelijk blijven? Schimmer deelt die angst niet omdat het volgens hem niet gaat om de hoge APC’s, maar om de differentiatie in APC’s. Zelfs binnen het pakket van één uitgever bestaan tijdschriften met hoge en met lage (minder hoge?) APC’s naast elkaar en de wetenschapper kan daarin een keuze maken. Het is daarbij wel essentieel dat de wetenschapper inzicht heeft in die prijzen, ook al willen we hem met de verdere afhandeling zo min mogelijk belasten. Vanuit OA-fondsen kunnen bijvoorbeeld alleen APC’s tot een bepaald niveau of APC’s voor een beperkt aantal diensten vergoed worden. Wie meer wil zal daar zelf aanvullende financiering voor moeten vinden.
  • Kijk op https://github.com/OpenAPC/ voor een dataset over de hoogte van APC’s. Een belangrijke kanttekening bij het berekenen van gemiddelde APC’s is dat de artikelen zonder APC’s (of liever: APC = 0 euro) ook in deze berekening betrokken zouden moeten worden. Die gegevens ontbreken in de dataset?
Geplaatst in Open Access | Een reactie plaatsen

Open Access in UMC Utrecht

Verslag OA meeting voor Science in Transition in UMC Utrecht op 18/3/15 16:00-18.00

Deze door het UMC Utrecht georganiseerde bijeenkomst werd bijgewoond door een klein maar divers gezelschap van 12 personen. Dit zorgde voor een levendige discussie rond de presentaties van de sprekers.

Rinze Benedictus gaf een inleiding waarin hij Science in Transition (SiT) positioneerde. De nieuwe strategie van het UMC heet ConnectingU. Het UMC Utrecht wil de komende vijf jaar een verbinding tot stand brengen met de maatschappij. Benedictus ziet raakvlakken met Open Access (OA). We zouden ons best moeten doen om alles OA aan te bieden. Dát zou volgens hem de beste garantie zijn om die verbinding met de maatschappij tot stand te brengen, maar daar zitten haken en ogen aan. Deze bijeenkomst is bedoeld om dit beter in beeld te krijgen.

Anja Smit, directeur van de Universiteitsbibliotheek Utrecht (die ook het UMC Utrecht bedient), gaf een overzicht van de ontwikkelingen en trends op het gebied van OA, dat als onderwerp nu ook is opgenomen in het SiT position paper en de Wetenschapsvisie. Smit schetst de ‘Golden’ en ‘Green’ OA road, en gaf een overzicht van beschikbare financieringsmogelijkheden voor Gold OA, bv. bij NWO, Horizon2020 en het OA-fonds van de Universiteit Utrecht. Slechts 10% van de UMC publicaties zitten in de UU repository (Green Road). Voor andere vakgebieden (Bètawetenschappen, Diergeneeskunde) ligt dit percentage vele malen hoger. Via het nieuwe PURE kunnen onderzoekers hun publicatiegegevens invoeren, waarbij de Universiteitsbibliotheek gratis de full-tekst upload kan verzorgen, en controleert óf en welke versie is toegestaan. Tenslotte bespreekt Smit de onderhandelingen met de uitgevers over de tijdschriftpakketten (de zgn. ‘big deals’). Er is nu een deal met Springer; de kosten voor OA-publicaties in hybride tijdschriften (waar OA en niet OA artikelen daar elkaar worden aangeboden) betaald worden uit de abonnementsgelden. Met uitgever Elsevier zijn de onderhandelingen opgeschort tot 2016. Onderhandelingen met de uitgevers Wiley, Sage en Oxford University Press lopen nog. In Engeland, waar men in eerste instantie nadrukkelijk inzette op Gold OA, schuift men inmiddels steeds meer naar de green variant Deze laatste variant zien we ook in de landen in Zuid-Europa. De VS loopt in deze hele discussie enigszins achter.

Frank Holstege hoogleraar Molecular Cancer Research, vertelde over activiteiten binnen zijn groep op het gebied van OA en Open Data. Zijn stelling was dat de grootste belemmering voor OA de huidige manier van evaluatie van onderzoek is. Hij verwijst naar DORA (2014 San Francisco Declaration on Research Assessment, getekend door de VSNU maar nog niet door de NFU) waarin gesteld wordt dat onderzoekers vooral beoordeeld moeten worden op de inhoud van hun publicaties, meer dan op publication metrics. Is dit wel haalbaar zolang funding agencies nog met traditionele waarderingsmethoden werken? De NIH (National Institute of Health) heeft al duidelijke stappen in de goede richting gezet op het gebied van evaluatiemethoden: meer experts uit een eenzelfde discipline (dus overleg!), tijd voor inhoudelijke discussie, uitsluitend gebruik van inhoudelijke argumenten, verantwoording van cijfers van commissieleden, de betaling van reviewers en commissieleden etc. Holstege zou ook graag een toename zien in kwalitatief goede OA-tijdschriften.
Daarnaast zouden niet alleen publicaties, maar ook de onderliggende data openbaar gemaakt moeten worden, inclusief protocollen, scripts, software en databaseversies. Dit is goed voor het eigen onderzoek, voor citaties en voor het voor wetenschappelijk proces.

Bianca Kramer, vakspecialist Bèta/ Biomedische Wetenschappen bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht, laat in haar presentatie aanvullende manieren zien om de impact van wetenschap te traceren: altmetrics. O.a. in Scopus is te zien hoe vaak een artikel is opgepikt in de media, science blogs en social media: kortom hoe wetenschappelijk nieuws zich verspreid door de maatschappij. Bij PLOS zien we iets dergelijks. Het zijn goede initiatieven naast de traditionele citatiescores, maar veel staat nog in de kinderschoenen. Kramer toont ook enkele nieuwe initiatieven omtrent post-publication peer review: o.a. PubMed Commons en PubPeer, en de nieuwe tool Publons, waar peer review-activiteiten (ook voor tijdschriften) bij elkaar gebracht kunnen worden, waardoor deze kunnen worden meegewogen in de waardering van onderzoeksactiviteiten van een wetenschapper.

Samenvattend: Er is een duidelijke relatie tussen Science in Transition en Open Access. Met de invoering van het nieuwe onderzoek registratiesysteem PURE is er een nieuwe kans om de onderzoekers die hun werk OA willen maken te faciliteren, door een koppeling naar de repository van UU/UMC Utrecht.

Geplaatst in I&M2.0 | Tags: | 1 reactie

Leeswijzer Open Science

Het thema voor de Open Access-week in oktober dit jaar is ‘Open for Collaboration’. Dit illustreert de verbreding van de discussie over openheid in de wetenschap. SPARC zegt hier zelf over:  ‘The “Open for Collaboration” theme will also explore how cooperation between stakeholder communities helps to set the default to open for scholarly communication.’

In die discussie  gaat het dus niet meer alleen over het vrij beschikbaar maken van onderzoeksartikelen en boeken, maar over openheid in de gehele onderzoekscyclus. Dit wordt meestal aangeduid met de term Open Science.

Er zijn veel interpretaties van Open Science. Voorbeelden van Open Science zijn (naast open access): open data, open peer review en post-publication peer review. Ook andere manieren om wetenschap meer transparent en toegankelijk te maken vallen hieronder, zoals citizen science, en crowdfunding voor onderzoeksprojecten.

Onlangs vroeg een collega mij om een korte leeswijzer voor Open Science. Ik deel die ook graag breder via deze weg. Voor wie zich wat meer in wil lezen in Open Science hieronder dus een paar bronnen:

  • Guide to Open Science Publishing (februari 2015) – een beknopt en prettig leesbaar overzicht van F1000Research.F1000Research doet goede dingen op het gebied van Open Access/Open Science, en ondanks dat dit stuk uiteraard óók tot doel heeft hun eigen diensten/functionaliteiten voor het voetlicht te brengen, geeft een goed algemeen overzicht. Aanrader!
  • Open Glossary  (februari 2015) van Jon Tennant en Ross Mounce – definities van  termen/concepten rond Open Science (of Open Scholarship zoals zij het zelf –more inclusive- noemen).De samenstellers zijn fervent voorstanders/activisten voor Open Science (vooral Ross Mounce), en dat zie je af en toe terug in de definities (niet iedereen zal onderschrijven dat de termen Gold Open Access en Green Open Access niet meer gebruikt zouden moeten worden bv….) – met dat in het achterhoofd is het een nuttig overzicht.  Voor iets meer context zie ook de blogpost van Jon Tennant over de Open Glossary.
Geplaatst in I&M2.0 | 4 reacties

Onderwijsparade 2015

Ik liep gisteren rond op de onderwijsparade. Het was druk, ik kwam veel collega’s tegen die ik graag wilde spreken, en er waren verse stroopwafels. Ondanks dit alles had ik ook een aantal gedachten ten aanzien van gesignaleerde trends waarvan ik dacht dat ze relevant waren voor de bibliotheek. Een selectie…

21st+Century+Word+Cloud

  • In de keynote werd bij student analytics expliciet genoemd: “use of VLE, library, journals”. Ik weet dat hier al mensen over aan het nadenken zijn, maar dit bevestigde: we moeten echt uitzoeken wat we kunnen (en mogen) meten.
  • Bij de 21st century skills werd veel aandacht besteed aan de veranderde manier van presenteren van het geleerde. Minder schrijven, meer prototyping (waar blijft die 3d printer), presenteren (soms ook op afstand d.m.v. FaceTime, Lync of Skype), maar ook bv. het reviewen van videomateriaal. Zien we daar ook een taak voor de bibliotheek, of zitten we al zo krap in de ruimte dat dit er echt niet bij kan?
  • Onze LibGuides sluiten al goed aan bij de trend “self management”, maar studenten willen zichzelf ook graag toetsen om te weten of ze voldoen aan een bepaald niveau. Kunnen we daar beter op inspringen?
  • De keynote ging ook in op “learning preferences”: de studenten werden gestimuleerd om na te denken hoe zij het best studeerden. Daarbij speelden voorwaarden zoals licht, warmte, wel of niet kunnen bewegen een cruciale rol. Wie zich afvraagt wat de bibliotheek daar mee zou kunnen doen, moet vooral a.s. donderdag naar de informatie- en discussiebijeenkomst over Samen Innoveren komen om 14.00!
  • Last but not least: enjoyment. We denken bij deze term vaak aan games en gamification, maar studenten blijken beter te reageren op gastsprekers, vrijwilligerswerk, zelf georganiseerde congresjes. Dit triggerde me, omdat ik dacht aan een gesprek dat ik met Pieter had over studenten met elkaar in contact brengen om elkaar te helpen met studiegerelateerde vragen. Als je dit op een goede manier kunt faciliteren, heb je echt iets te pakken.
  • Ik ben benieuwd naar de gedachten van andere aanwezige collega’s, maar natuurlijk ook van degenen die er niet waren!

    Geplaatst in I&M2.0 | 1 reactie

    Why Twitter Is Even More Worthless Than You Think

    Dit artikeltje met deze uitdagende titel las ik recentelijk in een blog en het is wel goed om te zien hoe de relatie is tussen Twitter en een eventueel vervolgbezoek aan een website .

    Lees het hier (uiteraard twitter ik dat bericht niet).

    Geplaatst in I&M2.0 | 2 reacties